Omtrent Europa, een antwoord aan de heer François Hollande, President van de republiek Frankrijk, door Pierre-Yves Dambrine

Billet invité. The English version of the same post is here. Een Nederlandse vertaling van Sur l’Europe, en réponse à Monsieur François Hollande, président de la République, door Pierre-Yves Dambrine door Johan Leestemaker.

Een commentaar op verzoek, in reactie op een column van François Hollande gepubliceerd op 8 mei 2014 in de krant Le Monde, Parijs, Frankrijk.

Mijnheer de President,

In het verschiet van de Europese verkiezingen die nu heel nabij zijn, heb ik uw toespraak omtrent Europa, gepubliceerd op 8 mei 2014 in de Franse krant Le Monde, met veel aandacht gelezen. Ik twijfel er niet aan dat u een overtuigde Europeaan bent. Zoals velen van ons dat nog steeds zijn, omdat, zoals u ons helpt herinneren, de Unie niet alleen een groots en mooi idee was maar ook zal blijven. Zij is zonder enige twijfel een vredesfactor van formaat geweest en zij heeft bijgedragen aan de economische bloei die volgde na de tweede wereldoorlog. Wat u echter vergeet te noemen, is dat die vrede ook het gevolg geweest is van een evenwicht in afschrikking, omdat Europa een deel van zijn veiligheidsstatus te danken heeft aan het Amerikaanse nucleaire schild. Dus, het is zeker waar dat de vrede op specifieke positieve uitgangspunten gehandhaafd kon worden, maar deels ook op minder perfecte gronden.

Vervolgens wijst u de grote markt aan (die de concrete vertaling van de principes uit het Verdrag van Rome vormde) als deel van de fundering van het Europese bouwwerk, en dit terwijl andere verdragen nooit nalieten om te verwijzen naar de hoofdstructuur, gedefinieerd in de termen van het eerste verdrag. Maar dit keer liet u het feit weg dat de welvaart niet geweest zou zijn zoals deze was, zonder de sociale wetten die de burgers in hun respectievelijke landen beschermden, en daarmee een koopkrachtige vraag garandeerden, waarzonder industriële en dienstverlenende bedrijven de grootste moeite zouden hebben gehad om te kunnen afzetten en dus te produceren. Anders gezegd, waar het dit aspect betreft, is de bijdrage van Europa nogal zwak geweest. De enige beleidslijnen die herverdeling beoogden, waren sectoraal of regionaal georiënteerd. Dat betekent dat zij erop gericht waren om bepaalde onevenwichtigheden te compenseren, bijvoorbeeld waar het de gemeenschappelijke landbouw politiek aangaat. De ongelijke verdeling van inkomens werd niet opgelost door de invoering van nieuwe burgerrechten, vastgelegd in een grondwet. Dit impliceert dat de burger op het niveau van sociale rechten alleen op een geval voor geval basis kon profiteren van correctief beleid, afhankelijk van besluitvorming die de economische conjunctuur betrof, en die eenvoudigweg onevenwichtigheden trachtte te corrigeren die veroorzaakt werden door de machtsverhoudingen die in de eigen logica van het Europese bouwwerk ingebakken zijn, waarbij de beloning van de factor kapitaal begunstigd wordt en daarmee de concentratie ervan. Alleen al in de sector landbouw stelt het gewicht van de landbouwer en de veeteler weinig voor tegenover hun bankiers en de agro-industrie, met uitzondering van de grootschalige landbouwbedrijven die goed aansluiten bij de commerciële (en de productiviteit aanjagende) logica die wordt gepropageerd door Brussel. En dat alles met het risico dat het basiswerk, namelijk het voeden van de bevolking, zo mogelijk met goede producten, verwaarloosd wordt.

Vervolgens drukt u uw overwegingen van bezorgdheid uit. U legt uw vinger op het naar binnen gekeerd zijn van de mensen, het gevaar van nationalisme. Dat moge zo zijn, maar zijn dat nu echt de enige stenen des aanstoots in het Europese huis van onze tijd? Staat u mij toe om daarover mijn twijfels te uiten. Ik vermoed dat u een fout begaat in uw analyse. Dat het u ontbreekt aan een wereldwijde visie, dat wil zeggen één die op de toekomst gericht is, en die het u mogelijk zou maken met een ander verhaal te komen, een verhaal dat veel meer mensen op de been zou brengen. Fundamenteel bij uw begripsvorming omtrent de werkelijkheid bestaat uw analysefout daarin dat u blijft hangen in een redenering binnen een regionale context, zelfs wanneer de enige politieke en economische ruimte die in uw ogen zinvol is, en ik citeer u letterlijk, het continent is. Voor u vormen de wereld en de planeet waarop wij leven niet de echte uitgangspunten voor een politiek die het waard zou zijn daarnaar te verwijzen. In plaats daarvan spreekt u in nogal vage bewoordingen over globalisering. Maar dat is een eufemisme voor een heel specifieke en rechtvaardigende fundamenteel economische tendens, in wiens naam ieder land en iedere burger vervolgens beschouwd worden als staande in een concurrentieverhouding tot de rest van de wereld. Zo wordt ook de competitiejacht gerechtvaardigd, die andere vorm van barbaars gedrag die betekent dat iedere arbeider, elke werknemer, ja nog eenvoudiger de man of de vrouw die door hun handelingen een bijdrage leveren aan de samenleving, onder de categorische dwingelandij van het belonen van de factor kapitaal gesteld is. Maar wacht even, was u het niet die in Le Bourget uitriep dat uw vijand het financiële was? En nu wilt u ons geruststellen dat, tenminste binnen het raamwerk van de Europese Unie, het probleem is opgelost, of althans nagenoeg. Maar u zult er niet in slagen om wie dan ook, behalve misschien enkele slecht ingelichte lieden, en de mensen die er prat op gaan hun privileges af te schermen, te doen geloven dat haalbare en duurzame oplossingen tot stand gekomen zijn, want dat is niet waar. Ziet u dan de enorme menigte van aardbewoners die allen hetzelfde lot delen niet, het lot van de menselijke soort, een soort op wie gedeeltelijke oplossingen zoals u die bepleit met uw continentale benadering lachwekkend overkomen, omdat zij de mensheid als één en ondeelbaar geheel uitsluiten? U zegt de handelsoorlog te betreuren, maar helaas zegt en doet u helemaal niets om uw medeburgers beter inzicht te verschaffen. Dat is vooral heel nijpend in de zaak van het trans-Atlantische verdrag dat onder hoogste geheimhouding onderwerp van onderhandeling is op het niveau van Europese autoriteiten. Als er niets gedaan wordt om dit tegen te houden, dan zal dit verdrag de Lidstaten van Unie, aan handen en voeten gebonden, overleveren aan rechtszaken die de multinationale ondernemingen zonder aarzelen zullen beginnen in naam van een louter op commercie gerichte wettigheid. En u zult een wereldwijde terugslag niet kunnen voorkomen door u te beroepen op de uitzonderingen op de terreinen van cultuur en informatie technologie. Wat zegt u bijvoorbeeld over die bedrijven in de industrie en dienstverlening die geen deel uitmaken van het raamwerk van de door uw onderscheiden sectoren, alsof de overblijvers – waarin velen van ons vertoeven – het niet verdienen om afgeschermd te worden van de negatieve uitwerkingen van dit onwelkome verdrag? Dus, kom dan niet aanzetten met de opmerking dat de Unie ons zal beschermen tegen de rest van de wereld, want juist in plaats daarvan zal de logica van de concurrentiestrijd verstevigd worden. En overigens, tussen haakjes, dit spreekt ook uw voorkeur voor een continentale benadering tegen. Immers, als ik me even beperk tot haar geografie, dan strekt Europa, en à fortiori de Unie, zich volgens de bekende formule van generaal De Gaulle uit vanaf de Atlantische kusten van Bretagne tot aan de Oeral en dit valt zeker niet samen met een bilateraal verdrag tussen de Unie en de Verenigde Staten van Amerika. Hoe dan ook, om de confrontatie tussen twee blokken te bekrachtigen zoals u nu doet, is of te veel of niet genoeg, met andere woorden, het is een noodgreep.

 

Mijnheer de President, u hebt geen kwaad in de zin, dat wil ik u toegeven, maar uw bedoelingen zijn geworteld in slechte aarde. En als u nu eens een stap terug zou zetten, als u uw eminente raadslieden nou eens terug zou laten keren naar hun geliefde studeerkamers, en als u nu eens wat tijd zou nemen om die medeburgers te beluisteren en te lezen die u – vanuit de hele wereld – echte alternatieven aandragen?

De Unie, Ja!, maar dan wel gericht op een ander programma, want er ligt een gevaar op loer, nog veel groter dan het nationalisme, en dat betreft de verblinding van een groot deel van de elites in de sociaaldemocratie, waartoe u zichzelf nog altijd met trots rekent, die niet in staat blijken te zijn om de echte funderingen waarop de Unie werd gebouwd, in heroverweging te nemen. Ik doel op die funderingen die de concurrentie-economie de sokkel maken van iedere politiek, en waarin regulering altijd pas naar later doorgeschoven wordt, en dat terwijl de effectiviteit ervan steeds meer gewantrouwd wordt. De terugtrekking die werkelijk het thema van al uw zorgen zou dienen te zijn, gaat precies daarover, de sociale en democratische terugtrekking die op zich voeding geeft aan de terugtrekking van identiteit. Nee, noch de investeerders, noch de ondernemers brengen alle welvaart in deze wereld tot stand. Afgezien van de werknemers, zonder wie geen koopkrachtige vraag bestaat, vormen menselijke wezens samen de maatschappij. Zij brengen, door hun handelingen van solidariteit en samenwerking (sociale zekerheid, onderwijs, infrastructuur) het raamwerk tot stand waarbinnen de beide eerst genoemde categorieën, de investeerders en de ondernemers, kunnen gedijen. Anders gezegd, de bewoordingen waarin u de problemen aan uw medeburgers voorlegt, dienen qua volgorde omgekeerd te worden.

Nog is het niet te laat, maar de tijd dringt.

 

Partager :